In 2015 moet Nederland koploper zijn op het gebied van duurzaam voedsel. Hoewel de Nota Duurzaam voedsel de lat hoog legt, is de ambitie absoluut haalbaar. Dat stelt John Grin, hoogleraar Beleidswetenschap, in het bijzonder systeeminnovaties, aan de Universiteit van Amsterdam en directeur van het Kennisnetwerk Systeeminnovaties.
Nederland als kopland is een haalbare ambitie, zegt u. Waarom?
“Allereerst heeft Nederland een zeer goede kennisinfrastructuur met de universiteit van Wageningen en talloze advies- en onderzoeksbureaus. Dat zijn grote denktanks met wereldwijde impact. Ook het raakvlak tussen kennis en praktijk heeft Nederland goed georganiseerd. Onder 16 miljoen inwoners zijn er 7.000 academische (landbouw) professionals. Ongekend veel. Tegelijkertijd telt ons land een aantal belangrijke transnationale ondernemingen, waaronder Unilever, DSM, Heineken en Ahold BV. Grote spelers met invloed op de wereldmarkt.”
Is verduurzaming van belang voor de voedselsector of voor de hele maatschappij?
“Voor beide. Voorheen konden producenten en retailers zeggen dat ze verantwoord bezig waren als er een koopkrachtige vraag was en ze zich hielden aan de regels in de wet. Maar dat gaat niet langer op. Onder druk van de civil society zetten veel bedrijven koers richting verduurzaming. Dat is de belangrijkste vooruitgang (geweest) naar duurzame voeding en daarmee duurzame landbouwproductie. Voor boeren is duurzame ontwikkeling een kwestie van handhaven van de marktpositie.”
“Na de uitbreiding van de Europese Unie zijn er landen die – beter dan wij –bulkproducten maken. Die concurrentie hebben we bij voorbaat verloren. Onze kansen liggen in kwaliteit en duurzaamheid.Dat gaat overigens goed samen: in blinde smaaktests komen duurzame producten vaak als beste uit de bus.”
Via welke sporen kunnen we tot voedselverduurzaming komen?
“Allereerst door het innovatiebeleid in te zetten op verduurzaming, samen met de multinationals en de kennisinfrastructuur die ik eerder noemde. Bovenal kan de overheid helpen om de kennisinfrastructuur te onderhouden via intermediairs. Zij kunnen verbindingen leggen tussen verschillende partijen. Denk aan boeren met banken en beleidsmakers met kennisinstituten. En de problemen van de innovators in de primaire sector verwoorden naar spelers van betekenis. Een voorbeeld van zo’n landelijke intermediair is het InnovatieNetwerk van LNV. Op regionaal niveau is dat Agriboard Noord-Holland Noord, een netwerkorganisatie voor en door ondernemers, bestuurders een kennisinstellingen. Het zou geweldig helpen als zulke clubs stevig zouden inzetten op duurzame ontwikkeling. Dat is ook goed voor de BV Nederland. De mondiale vraag, of eis, naar duurzame producten zal alleen maar verder groeien. Tegelijkertijd moet de Wereldhandelsorganisatie druk blijven uitoefenen op het protectionisme in het huidige beleid. En kan de Europese Unie productsubsidies op den duur niet betalen. Alleen als we daarop anticiperen, kunnen we onze koploperpositie in de agrofoodmarkt behouden.”
Hoe zou een nieuw voedselsysteem er dan uit moeten zien?
“Gezien de globalisering loont het de moeite om na te denken over interessante combinaties tussen grondstoffen en industrie. Zo is in Noord-Afrika veel ruimte voor de teelt van biomassa, energie dus.
Terwijl energie op veel plekken een schaars goed wordt, kunnen we het in deze regio opwekken. Ook moeten we af van productsubsidies. Dat werkt overproductie in de hand. Voor zover er op den duur subsidies blijven, is inkomenssteun voor boeren beter. Nog beter is inkomenssteun voor verduurzaming.”
Welke belemmeringen ziet u bij de verduurzaming van de voedselproductie?
“Duurzaamheid zit noch in ons hoofd, noch in onze structuur. Neem de schaalvergroting; alles is gericht op de productiviteit. Een koe moet zo veel mogelijk melk geven, het liefst nog iets meer.
Kennis en technologische ontwikkelingen zijn daarop gericht. Bij een heleboel vanzelfsprekendheden moet de knop om. Dat vraagt om discussies en hardop denken. Ook in de marktketens zijn structuurbelemmeringen.
Tussen de boer en consument zitten ontzettend veel spelers: veevoeders, verpakkings- of transportbedrijven en noem maar op. In dat web van spelers zijn de voedselverwerkende industrie en de retailers grote machthebbers die verduurzaming dwarsbomen. Gelukkig lukt het steeds beter om hen ook mee te krijgen. Veel bedrijven zitten inmiddels op het spoor van verduurzaming.”
Wat beweegt die ‘grote machthebbers’?
“Onder druk van maatschappelijke organisaties en initiatieven hebben multinationals meer interesse in maatschappelijk verantwoord ondernemen gekregen. Dat kan soms snelle dominoeffecten geven. Gaat Unilever Duitsland haar productieprocessen verduurzamen onder druk van Duitse consumenten en organisaties? Dan moet Unilever Nederland mee.”
Welke uitdagingen ziet u nog meer?
“De kennisinfrastructuur kan altijd beter. Neem bijvoorbeeld de veehouderij. Bij vrijwel alle epidemieën van de laatste jaren bracht iemand naar voren dat eens te meer duidelijk was hoe riskant de diervriendelijke veehouderij is. Want dieren die vrij kunnen uitlopen, zijn blootgesteld aan ziektekiemen en kunnen dus ziek worden. Slecht voor de productiviteit en het dierenwelzijn. Eenbelachelijke verklaring, natuurlijk. Diergezondheid kun je ook baseren op hun natuurlijke gedrag en interactie met de omgeving. De vakkennis om dieren ook in zo’n situatie gezond te houden is -spijtig genoeg voor de biologische veehouderij- onderontwikkeld. Een andere barrière is regelgeving. Bij de productie van bijvoorbeeld vlees liggen alle processtappen in de wet vast. Wil je het anders doen, dan loop je aan tegen regels voor voedselveiligheid. LNV kan op deze punten veel winnen door boeren met een andere bedrijfsvoering ruimte te geven.”